0%

Hoofdstuk 6

De opdrachtregel

Open een terminal en vraag waar je bent

Je computer heeft al een terminal. Je hoeft er geen te installeren, en de terminal die je krijgt is de juiste om mee te leren.

Welke toepassing dat is en welke shell daarin antwoord geeft, hangt af van de computer voor je. De achterliggende ideeën hangen daar niet van af. Daarom legt dit hoofdstuk ze één keer uit.

Open de terminal

Probeer eerst Ctrl + Alt + T: op veel desktops opent die combinatie een terminal. Gebeurt er niets, zoek dan in het toepassingsmenu naar terminal. Veelvoorkomende namen zijn Terminal, GNOME Terminal, Konsole en Xfce Terminal.

De meeste distributies starten Bash, al kan jouw systeem anders zijn ingesteld. De opdrachten in dit hoofdstuk werken in beide gevallen hetzelfde.

Het venster dat opent toont een prompt: daarmee zegt de shell dat die klaar is voor de volgende opdracht. Prompts zijn instelbaar, dus de jouwe ziet er niet precies zo uit als die van iemand anders:

sam@computer:~$

De $ aan het einde is het gebruikelijke promptsymbool. De gebruikersnaam, computernaam en locatie ervoor zijn aankleding die je shellconfiguratie heeft gekozen.

Hoe die er ook uitziet, de prompt is uitvoer, niet iets wat je typt. Documentatie die een prompt vóór een opdracht toont, geeft je context. Kopieer alleen wat erna komt.

Stel één ongevaarlijke vraag

De eerste nuttige opdracht toont de werkmap: de map waarin de shell staat en het vertrekpunt voor elk relatief pad dat je typt. De opdracht maakt niets, verplaatst niets en verwijdert niets, dus je kunt die altijd veilig uitvoeren.

Klik in de terminal naast deze les en voer de opdracht uit:

pwd

pwd is een afkorting van “print working directory”: toon de werkmap. Unix-opdrachtnamen zijn van oudsher beknopt. Dat typt snel, maar het helpt om ze de eerste paar keer in je hoofd te vertalen.

In een nieuwe werkruimte is het antwoord /workspace. Voer de opdracht nog eens uit en je krijgt hetzelfde antwoord, want een vraag stellen veranderde niets. Op die gewoonte is dit hele hoofdstuk gebouwd: kijken voordat je iets aanraakt.

Twee terminals, twee computers

De terminal naast deze les is niet de terminal op je eigen computer. Het is een tijdelijke gehoste sandbox met de oefenbestanden van dit hoofdstuk. Die begint in /workspace.

Voer dezelfde opdracht in je eigen terminal uit en je krijgt iets anders: een Windows-pad zoals C:\Users\Sam, of /Users/sam op een Mac, of /home/sam op Linux. Probeer die twee niet gelijk te maken en kopieer nooit een voorbeeldgebruikersnaam. Het zijn twee verschillende computers met twee verschillende bestandssystemen.

Beide antwoorden zijn goed, en juist dat verschil is de bedoeling. Het beoordeelde werk doe je in de sandbox, waar de beginsituatie bekend is en niets wat je doet bij je eigen bestanden kan komen.

Je opent de lesterminal en de eerste opdracht die je uitvoert toont /workspace. Wat weet je nu?

Je hebt een terminal open, je kunt de prompt onderscheiden van het antwoord en je hebt de shell een vraag gesteld die niets veranderde. Hierna volgen de drie vragen die je in deze volgorde wilt stellen: waar ben ik, wat staat hier en hoe kom ik ergens anders?